Groot én klein, zo moet het zijn!

Groot en klein horen allebei thuis in de kleuterklas maar niet op dezelfde manier voor elke leeftijd. 

Lange tijd dachten wetenschappers dat de ontwikkeling van de grote motoriek een voorwaarde was voor de ontwikkeling van de fijne motoriek. Dit wordt ook wel het proximaal-distaal principe genoemd. Proximale motoriek staat voor bewegingsmogelijkheden dicht bij de romp, zoals bewegingen vanuit de schouders. Distale motoriek staat voor bewegingsmogelijkheden verder weg van de romp, zoals bewegingen vanuit hand en vingers. 

Observatie laat zien dat de meeste kinderen eerst controle krijgen over de romp en de schouder en pas later over elleboog, pols en vingers. 

Toch zien we dat niet alle kinderen zich ontwikkelen volgens dit patroon en bijvoorbeeld eerder hun fijne motoriek ontwikkelen, zoals het nauwkeurig vastpakken van objecten, voordat ze volledige controle over grovere bewegingen hebben. Dit laat dus zien dat de ontwikkeling veelzijdig is en van kind tot kind kan verschillen. 

De proximale en distale motoriek worden vanuit verschillende hersengebieden aangestuurd en beide motorische systemen ontwikkelen zich grotendeels ook naast elkaar. 

Wetenschappelijke inzichten benadrukken tegenwoordig meer het samenspel van verschillende ontwikkelingsgebieden (fysiek, cognitief, emotioneel) en omgevingsfactoren. De ontwikkeling van motorische vaardigheden wordt gezien als een dynamisch proces dat ook afhankelijk is van de interactie tussen het kind, zijn omgeving, en zijn ervaringen. De ontwikkeling is volgens deze inzichten niet strikt voorgeprogrammeerd, maar dus ook afhankelijk van omgeving, opvoeding, cultuur, sociaal milieu…

Grote bewegingen helpen kleuters beweging, richting en vorm begrijpen.

Kleuters begrijpen richting en vorm eerst lichamelijk, via grote bewegingen. Daarna kunnen ze die richting en vorm beter met de hand sturen.

Als kleuters grote bogen, lussen en golven maken leren ze hoe de beweging voelt, in welke richting die vertrekt en wat het ritme van die beweging is. Als dat lichamelijk duidelijk is, kan de hand later deze bewegingen beter in het klein uitvoeren. 

Waarom kleuters ook klein moeten bewegen.

Kleuters hebben ook voldoende ervaring nodig met kleinere bewegingen. Zo leren ze hand, pols en vingers gebruiken op een gecontroleerde manier.  

Kleine vlakken leren inkleuren en arceeroefeningen zijn goede oefeningen voor onze oudste kleuters. 

Kleuren en arceren is een kleutereigen manier om pols- en vingersturing te ontwikkelen. Het inkleuren vraagt motorische beheersing. Kinderen moeten hun bewegingen kunnen afremmen om binnen de lijnen te kunnen kleuren. Om de fijne vingermotoriek uit te lokken is het belangrijk om kleurplaten aan te bieden met kleine vlakken. Dat doen we vooral bij onze oudste kleuters maar het zijn ook goede warming-up oefeningen voor onze beginnende schrijvers. 

Door kinderen veel te laten wisselen van kleur, kan er goed geoefend worden op pengreep en vingerzetting. Het is ook belangrijk om aandacht te schenken aan krachtdosering. Stimuleer kinderen om niet te hard te drukken op hun potloden. Ook wordt het tweehandig samenwerken geoefend, waarbij de hulphand het blad fixeert, terwijl de werkhand (voorkeurshand) kleurt. 
Kinderen moeten bij het inkleuren van een tekening zelf geen lijnen en vormen op papier zetten. Daardoor kun je de focus vooral op schrijfhouding en pengreep leggen. 

Cleve, D. (2025). *Schrijfritmiek: Grip op groei*. Die Keure Uitgeverij.


‘Grip op groei’ bundelt en beantwoordt heel beknopt 192 vragen rond schrijfmotoriek en geeft concrete tips om kleuters zo optimaal mogelijk voor te bereiden op het schrijfonderwijs.

Bestel hem hier!

Leave a Reply